POST SOVJET ROCK 'N ROLL 18: SILK ROAD BY SIDECAR (1)

Café 'Bar-Tabac' in Antwerpen Zuid op de Waalse kaai was de ‘Place to be’ als je jezelf trendy en hip voelde. Meer motivatie had mijn vriendin George met haar burgerlijke West-Vlaamse opvoeding niet nodig om daar helemaal los te gaan. Ik stond er, ietwat onwennig, met een biertje in mijn hand rond te kijken. Tot er een kale versie van hip en trendy, gewapend met oorbel, een Bretoense wit-blauwe horizontaal gestreepte trui en klompen met koeienvacht, een praatje kwam slaan.


De man in kwestie had het een en het ander opgevangen van Georgie, vooral de sidecar reisjes waren blijven hangen. Veel gelach en 17 biertjes later vertelde ik Joost (zo heette hij) dat ik met mijn sidecar tot in China wou karren, tenminste als ik iemand bereid vond om deze pret te delen. Die bereidwillige bleek Joost zelf te zijn. Cafépraat of niet? Het enthousiasme van de goedlachse en sympathieke Joost, die nooit verder dan Kroatië was gereisd, vond ik leuk maar ook wat vaag. Het was dus een positieve verrassing te ontdekken dat cafépraat af en toe wèl tot iets wezenlijks leidt. Ik regelde meteen de nodige visums en tickets en we vlogen samen via Moskou naar Tbilisi, waar we opgewacht werden door Duche en zijn kompanen. Ik had zoals meestal bijna geen bagage bij me en Joost’s bagage was ergens tijdens de Moskou transfer kwijtgeraakt, wat mooi uitkwam voor de rit naar China. Want hoe minder bagage, hoe minder shit. 

Als onderdeel van de reisvoorbereiding had ik m’n collega’s gevraagd de motor voor onderhoud naar de oorspronkelijke eigenaar te brengen, een gepensioneerde politieman van Armeense afkomst. Een slecht plan, zo bleek achteraf. Het was alsof ik mijn handen in een mierennest had gestoken. De politieman, die in zijn hele Sovjetcarrière niets anders gedaan had dan mensen afpersen, deed bij mij net hetzelfde. De motor van de sidecar was om onduidelijke redenen helemaal uit elkaar gehaald. Enkel tegen een stevige betaling wilde hij hem terug in elkaar sleutelen. En of er dan ook iets hersteld was, was niet helemaal duidelijk of beter: ‘niet relevant’. Ik was vast van plan het hele verhaal voor Joost en mezelf gezellig te houden, dus ik betaalde de man. De motor stond er uiteindelijk terug min of meer herkenbaar bij. Het hield me in elk geval niet tegen om samen met mijn vrienden te genieten van de lokale gastronomie en nog een paar leuke avonden te beleven. De voorbereiding voor de 4000 km route werd beperkt tot kickstarten en wegwezen. De heldere filosofie hierachter was: je kan veel dingen meenemen, maar datgene dat je écht nodig hebt bij bv. een panne heb je dan waarschijnlijk toch nét niet bij. Uiteindelijk vertrokken we met enkel mijn reiszak achterop. De bagage van Joost was nooit aangekomen, wat weer een zorg minder was. Bovendien is de zijderoute een handelstraject. ‘Alles wat we nodig hebben, vinden we wel onderweg’, was onze strategie. Zelfs mijn fototoestel, dat ik altijd bij me had, liet ik achter. Joost was fotograaf en had dus een camera en een Sony handycam als handbagage bij zich, aan beeldmateriaal zou het ons niet ontbreken. Het eerste traject reed ik. Ik probeerde een gepaste kruissnelheid te vinden en voelde aan de hete olie die boven de 60 km/u tegen mijn linker kuit spoot, dat de geschikte snelheid zo’n 55km/u was. Joost was vanuit het sidecarbakje beginnen filmen, wat uiteindelijk ongeveer 10 uur zijderoutebeeldmateriaal zou worden. Ik herinner me, behalve de vele controles van de wegpolitie, verder geen incidenten meer tot bij de eerste grensovergang. Zowel aan de Georgische als aan de Azerbaijan kant kregen we weer die lange achterdochtige douanecontroles. Twee Belgen met een antieke Georgische sidecar richting China, wat is in godsnaam het probleem? Maar op de duur ondergingen we apathisch de vele politiecontroles, we hielden ons geldbriefje al klaar, dat tijdens het handenschudden met de plaatselijke agenten steevast aan hun hand bleef plakken. Nog even samen een sigaretje opsteken en het hele protocol was alweer voorbij. Na een korte ‘Spassiba’ (dankjewel) en ‘Dasvidanja’ (doei!) konden we meestal weer vertrekken. Maar een nieuw ongemak stak zijn kop op, de ontkoppeling was eraan. Ik kreeg mijn motor niet meer in versnelling. Zoals altijd stond ik weer versteld van de hulpvaardigheid van de lokale bevolking. Deze keer was het een jonge kerel, Ali, die mee de motor in de richting van zijn grootvaders huis duwde, waar hij zelf ook woonde. De grootvader was een ‘Master’ (mecanicien) en heette Mamik. Master Mamik keek rustig naar de motor en ging dan zonder commentaar naar binnen om thee te drinken. Joost, ik en onze nieuwe jonge vriend Ali kregen ook thee. Ali sprak een paar woorden Engels en vertelde ons dat master Mamik het wel zou oplossen. Ik keek lichtjes bezorgd om me heen, want het leek hier helemaal geen garage. Er was zelfs geen werkbank en buiten een hamer op het terras zag ik ook geen gereedschap. Maar de gastvrijheid liet niks te wensen over, we werden gevraagd om mee te eten en blijkbaar was slapen ook geen probleem. De volgende ochtend kregen we nog een uitgebreid ontbijt en Ali vertaalde voor master Mamik dat de motor terug in orde was. Blijkbaar had hij hem ’s nachts volledig hersteld. Ook dan zag ik nergens een schroefje of enig gereedschap liggen. Maar onze motor had wel degelijk een nieuwe ontkoppeling. Er werd helemaal niet over geld gepraat, ik moest echt aandringen zodat de man mijn 100 dollar aanvaardde. De motor, die we ondertussen ‘Rabotta’ (=werken) hadden gedoopt, schakelde weer feilloos! Goed geluimd reden we verder, deze keer met Joost aan het stuur, tot er een nieuwe politiecontrole opdook, net voor het binnenrijden van Ganja, een stad halverwege Azerbaijan. Meerdere politiemannen (niet de gebruikelijke twee) met hun Jigouli (Lada) met blauw zwaailicht gebaarden ons te stoppen. En nog voor ik mijn geldbriefje al handenschuddend kon overmaken, duwden ze me in de Jigouli. Een andere agent stapte in het sidecarbakje en gebaarde dat Joost de politieauto moest volgen. Het was zijn eerste rit en het ging niet al te best. In de achterruit zag ik Joost rechtdoor rijden in plaats van linksaf te slaan om ons te volgen. Ik besefte dat ik hem nog niet verteld had dat naar links draaien verdomd zwaar was. Uiteindelijk leek het hem toch te lukken. We reden rechtstreeks naar het commissariaat van Ganja waar we meteen alles moesten afgeven en voor de rest van de dag werden opgesloten.


De volgende ochtend bij de wisseling van de wacht, bleek de nieuwe agent weinig tot niet geïnteresseerd te zijn in ons, dus hij stuurde ons weer de baan op. Opgelucht zetten we onze weg verder en zagen het ene vreemde tafereel na het andere in deze voor ons onbekende wereld. We reden langs een soort bivak/tentenkamp in een brede droge gracht, blijkbaar bewoond door zigeuners. Een eind verder stopten we voor een pauze. Een jonge zigeuner te paard, zonder zadel en zonder schoenen kwam naar ons toe gereden. Stilzwijgend keek hij ons aan met een vertwijfelde blik, tot hij even onverwacht als hij bij ons opdook weer verdween. Het leek op een scene uit een oude western. Het plan was de boot van Baku naar Turkmenbashi nog te halen, dus reden we zonder al te veel oponthoud over witte zoutvlakten en langsheen weidse steppegebieden richting Kaspische zee, hopend op een vlotte inscheping… (wordt vervolgd)

© TEKST: AKÉ JACOBS, FOTO’S : JOOST VYNCKE & AKÉ JACOBS 2024

POST SOVJET ROCK 'N ROLL 18: SILK ROAD BY SIDECAR (1)

Geen opmerkingen

Naam

E-mail *

Bericht *

-->